|
Ju Jutsu
Wie de geschiedenis van het ju jutsu bestudeert, merkt duidelijk dat zelfverdediging geen Japans monopolie, zelfs geen Japanse uitvinding is. De Japanners komt wel de eer toe deze technieken te hebben bestudeerd en gesystematiseerd, ze te hebben aangepast aan de praktijk en vervolgens wereldwijd te hebben verspreid.
In alle beschavingen en bij volkeren komen technieken van zelfverdediging voor, gebaseerd op kracht, behendigheid of snelheid, waarbij gebruik gemaakt wordt van hefboomtechnieken of geprofiteerd wordt van de zwakke plekken van het menselijk lichaam.
 |
Door het langdurig blijven bestaan van de feodaliteit in Japan en verschillende keizerlijke wetten die het dragen van wapens voor de gewone man verboden, kwamen verschillende vormen van ongewapende zelfverdediging tot ontwikkeling. Ju jutsu was een van de eerste vormen die sterk tot ontwikkeling kwam.
Om de ontwikkeling van de gevechtskunsten in het Verre Oosten te kunnen begrijpen is het nodig om het Japanse volk en zijn geest te bestuderen. Met name zijn sterke verbondenheid met de natuur en de keizer.
Het Japanse volk kende ook een aantal sterke religieuze en filosofische invloeden die een zeer grote rol gespeeld hebben.
De eerste is zijn natuurlijke (nog steeds de staatsgodsdienst) godsdienst, met name het Shintoïsme. Hierin worden verschillende natuurelementen als goden vereert en wordt de keizer gezien als de vertegenwoordiger van die goden. Tot voor kort werd de keizer trouwens nog gelijkgesteld met God. Verder legt het Shintoïsme de nadruk op beheersing, bezinning en het losmaken van het aardse. Achteraf werden vele dingen uit het Shintoïsme overgenomen door het Boeddhisme.
De tweede is de BUSHIDO of de ongeschreven wet van de samoerai die de grondslag vormt van de levenshouding van de Japanner. |
De oudste bronnen van het Ju Jutsu
In Japan en China heeft men documenten teruggevonden die terugkeren naar de mythologie. In één der oudste geschriften "Takanogavi" (geschriften gevonden in een Tibetaans klooster en handelen over het gevecht) wordt reeds vermeld dat de goden Kashima en Kadori gebruik maakten van bepaalde grepen om hun aanvallers uit te schakelen.
De NIHON SHOKE (kroniek van Japan), de geschiedenis van Japan in 720 n.Chr., op bevel van de keizer geschreven, maakt melding van een tornooi van CHIKARA-KURABE (krachtcompetitie) dat gehouden werd in het zevende jaar van keizer Suinin, 230 v.Chr. Dit feit wordt door enkele geschiedkundigen beschouwd als het begin van sumo, het Japans worstelen, dat enig verband houdt met ju-jutsu. Alhoewel onzeker werd het feit genoteerd als een belangrijk en authentiek bewijs van de embryonale toestand van het sumo en van het ju-jutsu in de voorbije tijden.
De oudste tekst van de Japanse literatuur waarin het woord YAWARA te voorschijn komt is de Konjaku Monogatari (boek van de oude en de moderne verhalen) die, zo beweert men, geschreven werd in de tweede helft van de elfde eeuw.
Volgens de Bujtsu Ryûsôroku (levensbeschouwing van de stichters van de scholen van de verschillende krijgskunsten) en volgens andere documenten bestonden er voor 1882 (ontstaan KODOKAN) een twintigtal Ryû (scholen) van ju-jutsu o.a. Taknouchi-Ryû, de Sekiguchi-Ryû, de Kyûchin-Ryû, de kito-Ryû en de Tenshin-Shinyo-Ryû. Deze scholen, ontstaan rond 1600 à 1650, vormen het echte begin van het ju-jutsu. De twee belangrijkste scholen waren wel de kito-Ryû en de Tenshin-Shinyo-Ryû. Het verschil tussen die twee scholen vond zijn oorzaak vooral in het feit dat sommige leraars zich in een of andere soort techniek van het ju-jutsu hadden gespecialiseerd. Met het oog op het verzorgen van hun specialiteit hebben enige ju-jutsumeesters in de loop der jaren nieuwe scholen gesticht. Er bestonden dus talrijke scholen met verschillende namen, maar het onderricht was praktisch hetzelfde.
Ontstaan en ontwikkeling van het Ju-Jutsu
Voor de komst van de vuurwapens in Japan, werd sedert onheuglijke tijden boog en pijl gebruikt tijdens de oorlogen. In gevechten op korte afstand gebruikte men zwaard en lans. Bij gelegenheid werd er zelfs met de blote hand gevochten, hetgeen kumiuchi genoemd werd. Deze reeds gevorderde techniek lag aan de basis van het ju-jutsu.
Eeuwenlang droeg de Japanse krijgsman of ridder (samoerai = hij die dient) twee zwaarden. Eén lang zwaard voor het gevecht buiten en een korter voor gevechten binnen en in kleine ruimten. Een decreet van 1871 schafte het gebruik van het zwaard af. Reeds voor dat decreet echter diende de krijger zich in sommige gevallen aan te melden zonder zwaard in de tegenwoordigheid van hoge personages.
In de periode van Tokugawa waren de lange zwaarden zelfs helemaal verboden, hetgeen trouwens al altijd het geval was voor de wachters en hogere ambtenaren. Evenals de gevangenisbewakers hadden zij alleen het recht om het korte zwaard te dragen. Er was dus nood aan een speciale kennis om zichzelf te kunnen verdedigen, maar ook om zijn taak naar behoren te vervullen, zonder zich te laten doden. |
 |
Speciale methodes zoals slaan met de hand, steken met de vinger, stoten met de elleboog, de knie en de vuist, stampen met de voet en de hiel, oftewel het verwringen of het verbrijzelen van de gewrichten, werden bestudeerd en ontwikkeld zodat een ongewapend persoon een tegenstander kon uitschakelen.
Vele eeuwen voor de Meiji (de ‘verlichte regering' onder keizer Mutsuhito die een einde maakte aan het feodale systeem in Japan) werd een streng klassenonderscheid tussen de krijgslieden en het gewone volk in stand gehouden. Het dragen van een sabel, grote of kleine, was aan deze laatsten verboden. Om zich te verdedigen moeten zij een vechttechniek met de blote hand leren.
 |
Verschillende versies
Volgens een bepaalde versie werd het ju-jutsu in Japan ingevoerd door een zekere Chinees Chen-Yuang-Ping. Volgens de overdracht zou dat omstreeks 1644-1648 geweest zijn en volgens het kokushôji dokument in 1627. Chen zou enkele grepen met de naam "tes" bestudeerd hebben, welke op dat ogenblik als gevaarlijk konden beschouwd worden (grepen met het doel de tegenstrever te doden). Chen zou zich daarna naar Edo (Tokio) begeven hebben en zijn vechtkunst verkocht hebben aan 3 soldaten van de Daïmokaste.
Toch is er een aanzienlijk aantal bewijsstukken die deze versie verwerpt. Zo ook o.a. documenten over de ju-jutsumeester Hitotsubashidata; authentieke beschrijvingen zals Yukisenko-Monogatari, Kyuami gusa en de oude ju-jutsu Densho (met de hand geschreven archieven over het onderricht in de geheimen door de stichters van de verschillende scholen) die zelfs ouder is dan deze versie. Toch sluit men niet uit dat Chen-Yuan-Ping het Chinees boksen (Kempo) in Japan zou ingevoerd hebben en dat dit Kempo enige invloed zou hebben gehad op het ju -jutsu. |
Volgens een andere versie echter heeft een arts uit Nagasaki, Akijama Shirobei Yoshitoki genaamd, tijdens zijn verblijf in China, les gekregen in het vechten-met-de-blote-hand van meester Haku-Tei (of Pao-Chuan). Bij zijn terugkeer in Japan ondervond hij tijdens het oefengevecht dat een grotere lichaamsbeheersing nodig was. Op een winterdag toen hij mediteerde in de tempel, zag hij in de tuin een kerselaar en een wilg staan; beide bomen zwaar beladen met sneeuw. Waar de sterke takken van de kerselaar afbraken onder het gewricht, gaven deze van de wilg eenvoudig mee om daarna terug te zwiepen. Geïnspireerd door dit feit vatte Akijama de idee op hoe een zwakke een sterkere kan overwinnen door ‘mee te geven'. Nadien heeft hij zich teruggetrokken gedurende 100 dagen in de Tennagotempel te Tsukshi.
Gedurende deze meditatieperiode heeft hij naar overlevering 103 grepen en 28 worpen vooropgesteld. Pas dan stichtte Akijama Shirobei Yoshitoki een school met de naam : Yoshin-Ryû, wat "school met pit van een wilg betekent".
Uit deze twee versies, met enerzijds Chen-Yuan-Ping die de samoerai het vechten-met-de-blote-hand initieerde en anderzijds Haku-Tei, die de leermeester was van Akijama, blijkt wel dat China de bakermat is van het ju-jutsu. Maar de perfectionering, de bloei en de bevordering van het ju-jutsu is ontegensprekelijk voor rekening van Japan.
Volgens een andere versie echter heeft een arts uit Nagasaki, Akijama Shirobei Yoshitoki genaamd, tijdens zijn verblijf in China, les gekregen in het vechten-met-de-blote-hand van meester Haku-Tei (of Pao-Chuan). Bij zijn terugkeer in Japan ondervond hij tijdens het oefengevecht dat een grotere lichaamsbeheersing nodig was. Op een winterdag toen hij mediteerde in de tempel, zag hij in de tuin een kerselaar en een wilg staan; beide bomen zwaar beladen met sneeuw. Waar de sterke takken van de kerselaar afbraken onder het gewricht, gaven deze van de wilg eenvoudig mee om daarna terug te zwiepen. Geïnspireerd door dit feit vatte Akijama de idee op hoe een zwakke een sterkere kan overwinnen door ‘mee te geven'. Nadien heeft hij zich teruggetrokken gedurende 100 dagen in de Tennagotempel te Tsukshi.
Gedurende deze meditatieperiode heeft hij naar overlevering 103 grepen en 28 worpen vooropgesteld. Pas dan stichtte Akijama Shirobei Yoshitoki een school met de naam : Yoshin-Ryû, wat "school met pit van een wilg betekent".
Uit deze twee versies, met enerzijds Chen-Yuan-Ping die de samoerai het vechten-met-de-blote-hand initieerde en anderzijds Haku-Tei, die de leermeester was van Akijama, blijkt wel dat China de bakermat is van het ju-jutsu. Maar de perfectionering, de bloei en de bevordering van het ju-jutsu is ontegensprekelijk voor rekening van Japan.
Verdere evolutie
Later, na het openen van de Yoshin-Ryû door Akijama werden er verschillende scholen geopend in Japan. Elke school gaf een naam aan zijn systeem en zodoende werd het ju-jutsu slechts een methode tussen alle andere, welke slechts op een paar details van elkaar verschilden.
D'Okayama Hochiroji, een gerenomeerd ju-jutsumeester won eens met de hulp van zijn helper Nishimara een gevecht tegen 100 koelies. Nadien maakte hij een studie over de ‘atemi' (een slag naar een vitaal orgaan). Hij voerde hieropvolgend zijn grepen op tot 124. Wegens zijn grote faam liet hij zijn naam veranderen in Iso Matayemon Yanagi Sekizai Minamotot no Masatari. Tot zijn dood, op 98-jarige ouderdom heeft deze voorvechter van het ju- jutsu gewerkt als groot-meester in de Tenchin Shinyo-Ryû.
 |
Jammer genoeg verdween met de groot-meester ook de vechttechniek uit de actualiteit; dit voornamelijk omdat de Japanners hun levensgewoonten op Westerse leest begonnen te schoeien.
Eigenaardig genoeg was het een Duitser, dokter Baelz, (een docent aan de universiteit van Tokio) die de Japanners stimuleerde om terug deze zo boeiende sport te beoefenen. Hijzelf volgde les bij één der oudste meesters nl. Totsuka.
De wederopbloei was zo geweldig dat na korte tijd elke Japanner begeesterd was door het ju-jutsu.
Eén van de leerlingen van Baelz, Jigoro Kano, droeg een bijzondere interesse weg voor deze sport. Hij groeide dan ook uit tot een meester ju jutsu-ka. Na korte tijd voerde Kano grondige wijzigingen in die zowel de korporele als de mentale ontwikkeling van de beoefenaar beoogden. Zijn methode werd het judo… In 1882 gaf professor Kano zijn leerstoel aan de universiteit van Tokio op en stichtte de Kodokan.
In het begin van de 20 e eeuw werden judo en ju-jutsu overal in het Westen geïntroduceerd. Het was een Engels ingenieur, Barton Wright, die jarenlang in Japan geleefd had en daar verschillende scholen bezocht, die de Japanners Yukio Tani en Raku Uyenshi naar Engeland bracht om een demonstratie te geven. |
Vele mensen hebben sindsdien meegewerkt aan de verdere uitbouw van het ju-jutsu. Sinds de jaren '80 beleven we de opkomst van een moderne vorm van ju-jutsu, namelijk het GOSHINDO dat letterlijk betekent : "De weg tot zelfverdediging".
In het oude Japan kan men dus stellen dat het ju-jutsu, samen met het zwaardvechten (kendo) de vechtkunst was van de samoerai. De samoerai was de stand van de Japanse ridders in dienst van een daïmjo of landheer (voor 1871). Zij waren de enige die het recht hadden om twee zwaarden te dragen. De andere klassen waren in volgorde van belangrijkheid : de boeren, de handwerklieden en de kooplui.
De ronin waren de zwervende samoerai, zonder werk, door de dood van hun meester of bij deze in ongenade gevallen.
De Japanse krijger werd Bushi genaamd en zijn voornaamste deugden waren :
- doryo : grootmoedigheid
- shiki : vastberadenheid
- onsha : mildheid
- fudo : houding, gedrag, onwrikbaar
- giri : plicht
- ninyo : grootmoedigheid (anders dan bij doryo)
In verband met de doctrines en de principes van het ju-jutsu kan men zeggen dat het onderricht in de verschillende scholen zich zeer dikwijls steunde op de ideeën die men terugvindt in het bekende oude boek over strategie. Dit boek werd samengesteld door de Chinese strateeg HWANG-SHINKON. Het was in de feodale tijd de "bijbel" van de soldaten. Het droeg als titel : "in de soepelheid ligt de kracht" (de eik kan bezwijken terwijl het riet de storm trotseert).
Deze gedachten droegen eveneens de stempel van de Chinese wijsbegeerte die bevat is in het boek van Lao-Tse, die de leerstelling verkondigde in verband met de niet-weerstand, de soepelheid, enz.
Een ander boek dat de Chinese wijsbegeerte vertegenwoordigt, is de Yi-King, het boek der veranderingen. Er zitten weinig oorspronkelijke gedachten in en nochtans wanneer men dergelijke passage ontmoet, getuigt deze van een aspiratie naar het ideaal van Bushido.
Braziliaanse Jiu Jitsu
Braziliaans Jiu-Jitsu of Gracie Jiu-Jitsu is een Braziliaanse inheemse vechtsport. Het is bedacht en ontwikkeld door de familie Gracie. Carlos Gracie leerde Jiu-Jitsu van een judoka genaamd Maeda die was geëmigreerd naar Brazilië. De basis van de kunst is afkomstig van het vooroorlogse Kodokan Judo, westers worstelen en Maeda's eigen inzichten in het vechten.
Braziliaans Jiu-Jitsu geeft er de voorkeur aan om de tegenstander naar de grond te brengen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van werptechnieken om de tegenstander te onderwerpen. Voorts wordt gebruik gemaakt van grepen, armklemmen, verwurgingen, beenklemmen en slagen. Deze strategie neemt het voordeel weg van een tegenstander die bekwamer is in het slaan. Gebruik makend van worstel- en werptechnieken wordt het voordeel van een sterkere en veel grotere tegenstander verminderd.
Braziliaans Jiu-Jitsu heeft een voorkeur voor praktische technieken die getest zijn in talrijke wedstrijden van de Gracie clan en hun studenten. Leden van de Gracie familie en hun studenten hebben meer dan 70 jaar gevochten in zogenaamde Vale Tudo (Portugees voor "alles is toegestaan") wedstrijden. Zij deden het erg goed tegen een veelheid van vechtsporten, zowel Westerse als Aziatische. Veel vechtsporten hebben immers hun strijdlustige motieven verloren. In Japan bijvoorbeeld, werd de kunst van het oorlog voeren (bujitsu) verbasterd tot budo, wat betekent "op de wijze van de vechtsport". Met de komst van de vrede en de modernisering van Japan, bezweken gevaarlijke en praktische technieken voor gevechtsporten die de kunst benadrukten boven de praktische toepassing, ook benadrukten zij de zelfverbetering en het gemeenschappelijk maken van de sport met uiteindelijk doel een sportieve wedstrijd. Zij die bekend waren met het vooroorlogse Kodokan-Judo begrepen de snelle overgang van Judo naar sport en minder naar pure strijdvaardige effectiviteit.
Het meest gelijkwaardig aan Braziliaans Jiu-Jitsu is Kosen Judo. De Kosen scholen in Japan houden hun eigen wedstrijden en in hun tornooien wordt de voorkeur gegeven aan het grondwerk (of "newaza" in Japans) net als in het Braziliaans Jiu-Jitsu.
Het Braziliaans Jiu-Jitsu wordt competitief als matsport beoefend waarbij geen slagen toegelaten zijn. Het officieel reglement vindt U op de site van de Vlaamse Ju Jitsu Liga.
Via proeven, competities en permanente evaluatie kunnen leerlingen een gordel (wit-geel-oranje-groen-blauw-paars-bruin-zwart) bekomen die hun kennis en kunde inzake het Braziliaans Jiu-Jitsu moet weerspiegelen.
Tekst: Evert Deweer |
 |
|
|