|
 Wie probeert het ontstaan van Oosterse gevechtskunsten te achterhalen, stuit op heel wat onduidelijkheden, niet in het minst als gevolg van de sfeer van mystiek die er dikwijls rond hangt. Het is zeer moeilijk om te bepalen wanneer juist de eerste gevechtskunsten ontstaan zijn, dewelke er eerst was, en welke de onderlinge invloeden waren. In feite is het zo dat de mens reeds van in het prilste begin van zijn bestaan gebruik heeft gemaakt van gevechtstechnieken. De menselijke soort is ontstaan doordat er op een bepaald moment een bepaalde apensoort is gaan rechtop lopen (sommigen beweren dat dit kwam doordat het gebied waarin ze leefden overstroomde en zij daarom hun rug moesten rechten om nog te kunnen ademen). Dat rechtop lopen had heel wat consequenties en betekende voor de mens niet direct een voordeel. Immers als viervoeter kon hij zich bij gevaar sneller uit de voeten maken. Hij behoorde toen tot de "vluchtende" zoogdieren. De moeite die hij had als tweevoeter om zijn evenwicht te bewaren evenals het gemis van twee "benen" reduceerden zijn vluchtsnelheid drastisch. Meermaals werd hij dan ook gedwongen om de confrontatie met de belager aan te gaan.Iets wat hem niet altijd meeviel. Hij had ten eerste niet zoveel kracht en ten tweede had hij geen enkele ervaring op dit vlak, gezien zijn "vluchtend" verleden. Toch ontwikkelde deze mens een bijzonder vermogen: hij leerde zeer snel. Hij leerde dat zijn ‘voorpoten' geen nutteloos aanhangsel hoefden te zijn, maar dat hij ze kon gebruiken in het gevecht door ermee te slaan. Als bleek dat, door zijn geringe kracht, dat slaan niet veel uithaalde, leerde hij een stok in die (toen nog) poten te nemen en zo het effect van zijn slagen te vergroten. Hij ondervond trouwens dat de stok het hem mogelijk maakte om op grotere afstand van zijn aanvallers te blijven, hetgeen zijn overlevingskansen duidelijk vergrootte. Bovendien ondervond hij dat stokken en stenen ook konden gegooid worden. Het gevecht op afstand was geboren.
 Wat echter de grootste invloed had op de ontwikkeling van de mens, zoals wij hem nu kennen, is het feit dat hij leerde samenwerken met soortgenoten. Vermits samenwerken niet kan zonder communicatie, ontwikkelde hij (en daarin is hij nog steeds uniek) een complexe taal, waarbij aan tal van, zowel verbale als non-verbale, signalen een bepaalde betekenis gegeven werd. Hierdoor kon hij ingewikkelde boodschappen doorgeven. Dit nieuwe instrument stelde hem niet alleen in staat om gecoördineerd op te treden wanneer hij aangevallen werd of wanneer hij op jacht ging, maar maakte het hem mogelijk om zijn ervaringen over te dragen op zijn soortgenoten. Zo konden anderen leren van zijn successen en zijn mislukkingen. Op deze manier konden reeds de eerste technieken om een vijand te verslaan doorgegeven en zelfs geëvalueerd worden. Bovendien hoefde de nieuw geboren mens niet alles meer te leren door ondervinding, maar kon hij profiteren van de ervaring van zijn voorgangers. Rotstekeningen en schilderijen waren daartoe een instrument. Zodoende konden de op spontane en natuurlijke manier ontstane gevechtsvormen geperfectioneerd en gesystematiseerd worden. Door de eeuwen heen ontstond alzo een echte gevechtskunst, met eigen basisprincipes en structuur.
Dat deze ontwikkelingen zich zowel in Oost als West voordeden hoeft dus niet te verwonderen. Dat deze kunsten zich van mekaar op verschillende punten onderscheiden evenmin. Iedere kunst ontwikkelde zich in zijn eigen specifieke omgeving en met zijn eigen particuliere omstandigheden. Een kunst die zich ontwikkelde in een rotsachtig gebied zal dan ook steunen op andere principes dan bvb. één die zich ontwikkelde in moerassig of zanderig gebied.
De mens vandaag kan nadenken over zichzelf en beseft dat hij een aantal dingen kan leren. De primitieve mens had dat besef niet. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij hun verworven vaardigheid of macht niet aan zichzelf toeschreven, maar aan de één of andere godheid. Vermits zowel het vechten en dus de desbetreffende kunst, evenals de goden onlosmakelijk deel uitmaakten van het dagelijkse leven van de toenmalige mens ontstond er een sterke verbondenheid van de vechtkunst met de zich ontwikkelende specifieke cultuur.
Deze sterke verbondenheid is in hoge mate verantwoordelijk voor het onderscheid tussen de Oosterse en de Westerse gevechtskunsten. Onder invloed van het Taoïsme en het Boeddhisme ging de verbondenheid tussen gevechtskunst enerzijds, en religie en filosofie anderzijds, zeer ver. Veel verder dan in het Westen. Taoïsme en Boeddhisme drukten een sterke stempel op de vorming van de Oosterse gevechtskunsten. In het Westen ging men al vrij vroeg het vechten los zien van de religie en verdween het als het ware uit het culturele erfgoed. Er zijn nog andere redenen waarom de gevechtskunsten zich sterker ontwikkelden in het Oosten. Met name het politieke systeem en het gebruik van vuurwapens.
Terwijl in het Westen reeds aan het einde van de Middeleeuwen het feodale systeem, dat absolute macht gaf aan de grondbezitters en dus ook aan de militaire klasse, afgeschaft werd, bleef dit systeem in het Oosten nog tot het begin van de 19 e eeuw in voege. Bovendien ging de militaire klasse hier snel over op het algemene gebruik van vuurwapens waardoor het gebruik van lijf aan lijf gevechtstechnieken aan waarde en belang inboetten. In de plaats daarvan ging men zich bekwamen in de techniek van het wapengebruik. Hoewel de uitvinding van het buskruit uit China komt, bleef men in het Oosten zeer lang gebruik maken van de traditionele wapens zoals zwaard en speer. Verschillende periodes van wapenverbod zorgden dan voor de ontwikkeling van het wapenloos vechten.
 Welk Oosters land de eer toekomt om als eerste deze gevechtskunsten te ontwikkelen valt niet te achterhalen, doch wordt algemeen aanvaard dat het rijke militaire verleden van China sterk bijgedragen heeft tot een verfijning en een doorgedreven ontwikkeling van de diverse gewapende en ongewapende technieken. Door de eeuwen heen hebben deze technieken zich verspreid naar andere delen van Azië. We mogen hierbij niet uit het oog verliezen dat op het moment dat de Chinese vechtvormen hun intrede deden, deze landen meestal reeds een eigen inheemse vechtkunst hadden. De combinatie van die beide leverde dan meestal een nieuwe stijl op, die onder invloed van iedere specifieke cultuur voor een grote variatie aan vechtvormen in Azië zorgde. Al deze vechtvormen bleven echter niet "zuiver". Vaak werden "sterke'" technieken uit de vorm van de "vijand" overgenomen:
De rakettentechnologie van de Amerikanen vandaag vindt zijn oorsprong bij de oude 'vijand' Duitsland die ermee begon in de 2 e wereldoorlog door V1 en V2 raketten af te vuren op Engeland. Werner Von Braun die de V1 en V2 voor Duitsland maakte, lag dan ook aan de basis van de eerste Amerikaanse raket.
Als er vandaag op zo grote schaal van mekaar gekopieerd wordt, is er geen sprake van dat dit vroeger anders was.
Ondanks een grote variatie aan vechtvormen zijn ze doorheen hun evolutie steeds meer gelijkaardige technieken gaan vertonen.
Wie veronderstelt dat ze daardoor uiteindelijk zo sterk naar mekaar toe zouden groeien om uiteindelijk één stijl te vormen heeft het mis. Integendeel !
Binnen elke vechtvorm ontstonden diverse stijlen en scholen. Dit intern verschil ontstond vaak omdat bepaalde meesters een eigen stempel wilden drukken op de discipline die ze beoefenden en dus een variatie in de technieken of houdingen aanbrachten. Bij karate bvb. ontstonden op die manier 16 verschillende ‘stijlen' waarvan de belangrijkste: shotokan, wado-ryû, shito-ryû, gojo-ryû, kyokushinkai enz.
Gaandeweg en naarmate men meer de twintigste eeuw naderde, trad er een sterke waardeverschuiving op in de verschillende gevechtskunsten. Daar waar zij oorspronkelijk vooral beoefend werden uit noodzaak, om te kunnen overleven of om militaire doeleinden, werden later andere waarden erkend, benadrukt of toegevoegd. Eén van deze belangrijkste waarden was het gezondheidsaspect en dat zowel op fysisch als op mentaal vlak. Hierbij is vooral de binding met verschillende religies en filosofieën van zeer groot belang. De spirituele waarde van de vechtkunst kwam op de voorgrond. Dat de militaire waarde van de gevechtskunsten afnam is grotendeels te wijten aan de introductie van vuurwapens. De ‘boksersopstand' in China is daar, indien niet de aanzet tot het verval, toch een goed voorbeeld van.
 In de periode 1899-1901 kwamen de antiwesterse en anti-Japanse gevoelens van een groot deel van de Chinese bevolking tot uiting in de zogenaamde Boksersopstand die werd gesteund door de keizerin weduwe Tsu Xi, in feite de laatste vorst van de Qing-dynastie, de laatste keizerlijke dynastie van China. De Boksers, bijnaam van een religieus genootschap waarvan de leden zich hadden bekwaamd in de eeuwenoude Chinese gevechtstechnieken, en zo genoemd omdat ze allen zeer bedreven waren in gevechtskunsten waarbij veel gebruik werd gemaakt van de vuisten (kempo), rukten op naar Peking. Deze 'boksers' trokken ten strijde, gewapend met hun techniek en hun traditionele wapens (zwaarden, speren, stokken,…) tegen de Westerse legers. Een waar bloedbad was het resultaat. Zij moesten inzien dat zij met hun gevechtskunst niet opgewassen waren tegen de, met moderne vuurwapens uitgeruste, Westerse manschappen. De opstand werd door een internationale strijdmacht neergeslagen en de keizerin vluchtte maar kon in 1902 terugkeren en installeerde in 1908 de tweejarige P'u Ji op de keizerlijke troon en overleed de volgende dag. Binnen enkele jaren kwam daarna een einde aan het Chinese keizerrijk. Een periode van sterk verval trad in. Vele 'meesters' gaven er de brui aan, sloten hun scholen en veranderden van werk.
Een andere waardeverschuiving kwam er door de 'versporting'. Bepaalde mensen haalden de oude technieken van onder het stof om ze aan te passen en als sport te kunnen beoefenen. Zo ontstond judo uit het in onbruik en onmin geraakte ju jutsu. Hoewel er in sommige streken reeds vrij vroeg kompetities georganiseerd werden om de beoefenaars toe te laten hun technieken met mekaar te meten, is de differentiatie naar een echte vechtsport pas later op gang gekomen.
Verschillende organisaties, nationaal en internationaal, werden opgericht. Zij hielden zich bezig met het uitwerken van wedstrijdreglementen en het inrichten van wedstrijden. Belangrijk hierbij is dat in deze reglementen de belangrijkste traditionele waarden van de vechtkunst nog steeds behouden zijn, met name:
- de zelfverdediging
- de fysieke en mentale gezondheidsbevordering
- de sport.
|
|